De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, Departement Buren. Al sinds 1843.

NUT - departement Buren


De Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen

Aan het eind van de achttiende eeuw was Nederland een kleine natie aan de rand van het grote Europa.
Nederland werd gekenmerkt door zijn lokale en regionale vrijheid en onafhankelijkheid, gehandhaafd door handel en intellectuele vooruitstrevendheid.In de achttiende eeuw was het bepaald niet vanzelfsprekend, dat regeringen er waren ten behoeve van het volk, met als taak dienstbaar te zijn aan het algemeen welzijn van de bevolking. In tegendeel: het volk was er om de soevereinen te dienen. Het was in die tijd niet gebruikelijk en soms zelfs niet zonder gevaar om het tegendeel te beweren.Nederland kende in die tijd, en dat was revolutionair, een sfeer van vrijdenkers en democratie, een vrijzinnig-democratische humanitaire (patriottische) sfeer. Men streefde ernaar, en geloofde er in,

  • dat allen door betere educatie zouden kunnen delen in een wereld van vooruitgang;
  • dat er door betere educatie een betere toekomst zou kunnen komen met welvaart en welzijn voor allen.
In die tijd bracht sociale betrokkenheid een predikant en enkele eenvoudige klein-stedelingen ertoe om een genootschap te stichten dat zich richtte op bevordering van het algemeen volksgeluk met name door initiatieven te nemen op het terrein van de volksontwikkeling. In de gesprekskring met leden uit Monnickendam en Edam opperde de doopsgezinde predikant te Monnickendam, Jan Nieuwenhuijzen, het – in de sfeer van de tijd passende – plan om een genootschap voor volksontwikkeling te stichten. Het doel was om mensen die daartoe zelf niet de mogelijkheid hadden, te helpen om kennis te verwerven door hen te voorzien van (school)boeken die in eenvoudige taal geschreven waren. Dit initiatief werd concreet uitgewerkt door zijn zoon Martinus Nieuwenhuijzen, arts te Edam. Hij stelde voor om een genootschap te stichten met als doelstelling “de verbetering van het schoolwezen en de opvoeding der jeugd als de voornaamste grondslag ter vorming, verbetering en beschaving van den burger”. Tijdens de op 16 november 1784 in de doopsgezinde pastorie te Edam gehouden oprichtingsvergadering werd deze doelstelling aanvaard. Besloten werd tot oprichting van een “Genoodschap van Konsten en Wetenschappen, onder de zinspreuk: Tot Nut van ‘t Algemeen“.

In navolging van dit initiatief ontstonden aanvankelijk in Noord-Holland, Friesland en Groningen, en vervolgens ook in de rest van Nederland boven de grote rivieren plaatselijke departementen van dit genootschap. Later volgde de oprichting van Nutsdepartementen in Zuid-Nederland en in Vlaanderen. De educatieve taken van het Nut werden na de onafhankelijkheid van België in Vlaanderen opgepakt en voortgezet door het in 1851 opgerichte Willemsfonds, thans gevestigd te Gent.

Ter concrete verbetering van de leefomstandigheden van de werkende bevolking werd sinds de oprichting van het Nut gestreefd naar bereikbaarheid van onderwijs voor iedereen door:

  • het stichten van kleuter- en lagere scholen;
  • de uitgave van schoolboeken etc.;
  • het stichten van onderwijzersopleidingen (kweekscholen) en andere vormen van beroepsonderwijs.
Daarnaast werden vele educatieve- en voor de samenleving nuttige initiatieven genomen, zoals het stichten van bibliotheken, spaarbanken en verzekeringen, alsmede initiatieven op het terrein van de maatschappelijke zorg en het geven van cursussen op velerlei terrein (volksontwikkeling). Later zijn veel door het Nut genomen initiatieven door de overheid en andere organisaties overgenomen en voortgezet. Het Nut wordt sinds zijn oprichting gekenmerkt door de volgende aspecten:

  • het Nut is een organisatie die werkzaam is ten algemene nutte;
  • het Nut is bereid tot een brede samenwerking;
  • het Nut is een open organisatie zonder voorwaarden voor lidmaatschap;
  • het Nut kent geen uitgangspunten die verplicht worden opgelegd of waarvan de naleving wordt verlangd; 
  • het Nut is een humanitaire (mensgerichte) organisatie;
  • het Nut streeft naar individuele en maatschappelijke ontplooiing met een zo hoog mogelijk cultureel gehalte;
  • het Nut ontplooit zijn activiteiten vooral in het verband van de aangesloten plaatselijke departementen (verenigingen met eigen rechtspersoonlijkheid);
  • het Nut heeft een Maatschappijbestuur dat zich ten doel stelt op landelijk niveau een bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat en daarnaast de departementen te stimuleren om met hun activiteiten in 

Met de bovenstaande uitgangspunten organiseert het landelijke Maatschappijbestuur jaarlijks een congres met een lezing door een of meer eminente deskundige(n) over een maatschappelijk relevant thema. Daarmee en met het uitgeven van een jaarlijkse nieuwsbrief over het jaarthema wordt een bijdrage geleverd aan de maatschappelijke discussie van onze tijd. Het Maatschappijbestuur wil daarnaast de departementen stimuleren om dat ook in hun eigen omgeving te doen. Daarbij is het van belang om – zonder politieke of kerkelijke binding – alert in te spelen op de plaatselijke maatschappelijke ontwikkelingen. De departementen ontplooien vanouds en ook nu nog educatieve activiteiten ten behoeve van de mensen in hun omgeving. Dat gebeurt in de vorm van lezingen, cursussen, educatieve excursies, cultuurreizen en andere culturele activiteiten, soms ook door middel van subsidiëring van activiteiten van andere organisaties.

Door het Nut wordt aan de Universiteit van Utrecht bij de faculteit der Sociale Wetenschappen een bijzondere leerstoel in stand gehouden voor onderwijs in de ‘Geschiedenis van het Onderwijs’. Deze leerstoel wordt op dit moment bezet door prof. dr. J.F.A. Braster.

De Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen telt op dit moment ongeveer 100 plaatselijke departementen met in totaal ruim 10.000 leden.

Het landelijk bureau van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen is gevestigd in het oorspronkelijke woonhuis van Martinus Nieuwenhuijzen te Edam.

 

Een korte geschiedenis van  het nieuwe onderkomen van de vereniging, de Synagoge te Buren.

De Joodse gemeenschap heeft in 1804 een gebouw aan de Kniphoek te Buren kunnen aankopen, dat als Synagoge werd ingericht. In een artikel in het ‘Tijdschrift voor de Vereeniging ter Beoefening van Joodsche Wetenschappen’, verschenen in 1869, wordt vermeld, dat er in Buren toen 4 Israëlitische gezinnen woonden met in totaal 14 personen. De gehele gemeente, die mede uit geloofsgenoten bestond uit Geldermalsen, Tricht, Beusichem en Zoelmond, telde ruim 40 personen.

Het gebouw aan de Kniphoek werd goed ingericht. Zo was er een kerkelijk bad, een woning voor de rabbi en een schoollokaal. Deze inrichting doet vermoeden, dat bij de verwerving een belendend pand van het huidige gebouw was betrokken. Saillant is de vermelding, dat de synagoge werd verfraaid met drie koperen kronen, geschonken door een freule van het ‘Huis te Geldermalsen’.

De plaats van de Synagoge was en is gelegen in het oudste deel van Buren, aan de Kniphoek. Ze maakt deel uit van de ‘muurhuizen’, die tegen de stadsmuur waren en zijn gebouwd.

Omstreeks 1900, dus ongeveer 100 jaar later, werd de Joodse gemeenschap opgeheven, omdat er te weinig leden waren overgebleven wegens vertrek naar de grote steden. Het aantal van 10, vereist om kerkdiensten te mogen houden, kon niet meer worden gehaald.

Bij deze opheffing vervielen de eigendommen volgens de toen geldende reglementen aan het enige in Buren wonende lid van de Joodse gemeenschap, de heer M. van Buuren. De koperen kronen werden verkocht aan een onbekende ‘Amsterdammer’.

Na 1900 is het gebouw van de Synagoge voor diverse doeleinden gebruikt, o.a. als opslagplaats en ook als varkenshok(!). Later werd het eigendom van de gemeente Buren, die het verhuurde aan de gemeentebode, de heer Reinold.

Einde jaren ’50, begin ’60 van de afgelopen eeuw beraamde het gemeentebestuur van Buren plannen tot restauratie van de gehele binnenstad, uit te voeren dankzij krachtige financiële steun van het Rijk.

De middeleeuwse huizen aan de Kniphoek waren als eerste aan de beurt. Voorzover ze nog geen eigendom waren van de gemeente werden ze aangekocht. Met begrip voor de historie werd de inmiddels tot een krot verworden voormalige Synagoge prachtig gerestaureerd.

Nadien werd het gebouw door de gemeente gebruikt als vergaderruimte. In 1979 besloot de gemeenteraad de Synagoge aan te wijzen als ‘Huis der gemeente’, als gevolg waarvan er ook huwelijken mochten worden voltrokken. Tevens werd het gebouw gebruikt als expositieruimte.

Als bijzonderheid kan nog worden vermeld, dat de naam ‘Kniphoek’ lange tijd ‘Oranjestraat’ heeft geheten; in de volksmond bleef het altijd ‘Kniphoek‘. Om aan de historie recht te doen, besloot de gemeenteraad van Buren midden jaren ’60 van de afgelopen eeuw deze naam weer officieel in te voeren. De naam is afgeleid van een lastig en onaangenaam diertje: de luis. De bewoners maakten die luizen dood tussen duim en wijsvinger; dat werd ‘knippen’ genoemd.

Auteur Derk Wijkstra